Verslag

Verslag: Zeggenschap, organiseer je dat?

Deel dit bericht
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin

Moderator Rindert de Groot heet de aanwezigen van harte welkom bij wat hij noemt het eerste Stadsgesprek van dit decennium. Na een korte rondgang door de zaal blijken veel mensen afkomstig te zijn van vrijwilligersorganisaties, uit het welzijn en van de overheid. Maar ook maatschappelijke dienstverleners, enkele zzp’ers en iemand van het Amsterdam Museum zijn aanwezig.

Dwarszitter

De middag begint met Stadmaker Floor Ziegler, ‘ambtenaar van de samenleving’. Het is een vak geworden om bottom-up op te staan en te zorgen voor een mooiere leefomgeving. Floor trekt het land door met de ‘dwarszitter’, waar mensen op kunnen gaan zitten om te zeggen wat hen dwars zit en wat ze daar zelf aan doen. En dat doen we vanmiddag ook rondom zeggenschap en eigenaarschap.

De eerste persoon op de Dwarszitter werkt bij Dynamo. Bij eigenaarschap denkt zij meteen aan de doelgroep van Dynamo: mensen met problemen die dit vaak niet zelf op kunnen lossen, maar bijvoorbeeld participatiemakelaars nodig hebben om hun leven op orde te krijgen. In haar eigen leven is een hobbel ‘tijd’ om zelf eigenaarschap te voelen rondom duurzaamheid.

De tweede kandidaat is zzp’er en vindt zeggenschap en eigenaarschap een lastig onderwerp. Geld is een lastig punt, je wilt veel doen, maar waar haal je het budget vandaan in de wijk en het sociale domein? Je moet daar vooral een goed netwerk voor hebben.

De derde en laatste gegadigde werkt bij Stadsdeel Oost. Hij wil als bewoner meer zeggenschap hebben over zijn buurt in Oost. Als ambtenaar vindt hij het onduidelijk van wie eigenaarschap is: van de overheid, de bewoners, zzp’ers, professionals? Wie gaat erover? Het blijft laveren tussen loslaten en vastpakken.

De grote vraag vandaag is: hoe verenig je grote ideeën over hoe de stad eruit moet zien vanuit de politiek en het bestuur met ideeën van onderaf? En hoe verhoudt zich het werk van bewoners tot dat van professionals?

Participatiestaking in Zuid-Oost

De eerste sprekers zijn Angelique Hoogmoed en Mike Brantjes van Hart voor de K-buurt. De K-buurt is oorspronkelijk gebouwd voor de middenklasse, maar die is er nooit komen wonen. De overheid heeft indertijd afhankelijkheidsrelaties gecreëerd, met de beste bedoelingen. Dit heeft ervoor gezorgd dat mensen zijn afgehaakt. Hart voor de K-buurt wil mensen weer aanhaken in de buurt, die zij liefde gegoten in rauw beton noemen.

Hart voor de K-buurt is bekend van de eerste participatiestaking van Nederland. Zij hadden geen zin meer in participatie met witte mensen in een zwarte buurt. Je hebt twee vormen van democratie: representatieve democratie en contributieve democratie, oftewel de doedemocratie. Hart voor de K-buurt gaat uit van inclusieve participatieve democratie. Geen eenmalige inspraakmomenten waar alleen de krachtigste bewoners komen. Het lijkt alsof de roep om meer democratie uitgaat van telkens weer meer beslisdemocratie. 

Hart voor de K-buurt geeft jongeren een camera om hun omgeving te filmen, met als resultaat een nieuw buurtcentrum. Of mensen met een beperking die een toegankelijkheidsschouw doen. Beslisdemocratie heeft ook nog een nadelig effect, doordat nieuwe mensen de wijk in worden gestuurd en de lokale infrastructuur verknallen. Hart voor de K-buurt creëert zelforganisaties in bijvoorbeeld flats en vragen aan de overheid om daarin te participeren, in plaats van andersom. Zij streven geen representativiteit na, maar legitimiteit. Dat bestaat uit doeltreffendheid.

De beslisdemocratie heeft uiteindelijk wel het mandaat om de doedemocratie haar werk te laten doen. Gaan mensen niet met het geld ervan door? Niet te weinig mensen? Uiteindelijk is een belangrijk kader: hoe krijg je mensen actief en zorg je met hen voor resultaat? De overheid zou vooral moeten faciliteren en niet zozeer spelregels moeten geven. Veel mensen zijn opgegroeid met het idee dat de overheid als een ouder voor haar kinderen zorgt. De kinderen zijn opgegroeid, maar de overheid behandelt burgers nog steeds als kinderen. Veel buurtbewoners worden via sleutelfiguren bereikt. Er loopt nu een experiment om te kijken of sleutelfiguren betaald kunnen worden. Het werkt niet wanneer de overheid probeert om het succes te kopiëren. Soms moet de overheid op haar handen blijven zitten en een succes met interesse volgen en niet overnemen. De overheid moet wel blijven faciliteren, en ook langdurig.

Het dorp vs de Stopera

Jornt van Zuylen is de paus van de lokale democratie bij de Vereniging Nederlandse Gemeenten. In Tubbergen of Peel en Maas is heel veel energie in dorpsverbanden en coöperaties. In Nederland zijn we nogal van de schaalvergroting in gemeenten. Je zult zien dat we een binnengemeentelijke democratie nodig hebben, met dorpsraden bijvoorbeeld. Daarnaast is een buiten-gemeentelijke democratisering nodig, voor alle regionale samenwerkingsverbanden. Democratisering kan alleen maar op maat gebeuren. Binnen een grote gemeente is het ene dorp al anders dan het andere dorp. De gemeente is vaak te groot voor de kleine vraagstukken op buurtniveau en te klein voor grote vraagstukken. Je kunt beter aansluiten bij de juiste democratische gemeenschap, dat kan ook een thema zijn, dan alles in één bestuurskundig frame te plaatsen.

Floor Ziegler haakt aan met een dorp in Friesland waar alle bewoners de grootste energie-coöperatie van Nederland hebben opgericht. Floor is huiverig om alle energie uit de buurten te vertalen naar nieuwe systemen. Iedereen is onderdeel van een gemeenschap, iedereen wil ertoe doen. Mensen moeten gaan samenwerken in zo’n gemeenschap aan een doel, dan creëer je een plek voor iedereen.

Volgens Floor is een groot verschil tussen Amsterdam en de rest van Nederland: de grootte van de Stopera. Over alles moet vergaderd worden door heel veel ambtenaren. De vraag is dan ook of de gemeente de eigenaar is van meer zeggenschap en eigenaarschap. Er is iets aan de hand met de mentaliteit van ambtenaren dat zij zaken willen oplossen. Daar moet ook eigenaarschap zitten, maar geen dominantie, open willen staan voor andere mensen. Iedere steen van Amsterdam is van ons allemaal. We zijn met elkaar verantwoordelijk. Er is geen kloof tussen de systeem- en de leefwereld, dat is een tussenruimte. Dáar kunnen mensen met elkaar samenwerken aan een betere stad. Die tussenruimte moet vooral geen formeel iets worden, met raden en dat soort zaken. Heel belangrijk in zo’n gemeenschap zijn creatieven; die gaan koekjes bakken met alcoholisten.

Inclusief?

Jornt vertelt dat het niet zozeer belangrijk is wie het doet, als wat je doet. Je gaat aan een voedselbankoprichter niet vragen of dat wel legitiem is. Wel belangrijk is de vraag of je vanuit de beslisdemocratie ruimte kunt geven aan doedemocratie. Hoe vul je gezamenlijk de publieke ruimte in? Daar spelen andere kwesties met betrekking tot representativiteit. Maar zodra je met publiek geld in de doedemocratie aan de slag gaat, moeten er wel beslisdemocratische spelregels zijn. Er kunnen ook beleidskaders zijn, bijvoorbeeld een gemeenteraad die zegt dat ieder duurzaamheidsinitiatief geen bomen mag kosten. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de openheid van de ‘tussenruimte’. Is die voor iedereen toegankelijk. Je moet dat ook kunnen vragen wanneer er publiek geld in het spel is. Gelijkheid bestaat ook niet; mensen zijn niet hetzelfde. We moeten af van het gelijkheidsdenken, dat zorgt voor een tekort aan maatwerk. Als iets werkt in één buurt, dan wil dat niet zeggen dat dit in alle buurten werkt. Juist niet! Volgens Jornt is alles wat je organiseert een systeem. Niet-institutionaliseren bekent niet dat je ’t niet hoeft te organiseren.

Volgens Floor staren we onszelf te blind op inclusiviteit. Dat betekent niet dat je altijd mensen uit een andere cultuur erbij moet betrekken, maar dat je open staat voor de ander. Uit het publiek komt de opmerking dat dit een mooie theorie is, maar in de praktijk is het nogal anders. Er is een grote dominantie van witte mensen in de stad. Floor zegt dat wanneer je mensen raakt met belangrijke thema’s, dan doet achtergrond er niet meer toe. Stadmakers kunnen zich goed verplaatsen in mensen van andere culturen, iedereen doet mee.

Jornt benadrukt dat alles wel om belangen gaat. Participatie is geen doel op zich; niet iedereen hoeft altijd te participeren. Het is belangrijk om altijd te kijken of alle belangen wel vertegenwoordigd zijn. Hele grote groepen zitten niet aan de stadmaker-tafels, dat gaat ook niet lukken. Dat moet je onderkennen – je moet kijken wie je altijd mist en wie er een belang bij hebben.

Systeemdenken

Hoe voorkom je dat iedereen het in de tussenruimte met elkaar eens is en heel tevreden daarmee is zonder het systeem te veranderen? Volgens Jornt is het lastig, veel wordt gelabeld als een experiment, met weinig continuïteit. Uiteindelijk gaat het ook om budgetten te verdelen, en personeel. Er zijn ook drukke stadmakers-app-groepen, waarin mensen elkaar helpen met veel energie. Dat is een hele nieuwe manier van werken, buiten het zicht van overheid om. Déze mensen zouden samen met goede ambtenaren en de wethouder de tussenruimte kunnen opvullen.

Met die inspirerende woorden nodigt Rindert de Groot de aanwezigen uit voor de borrel.

Deel dit bericht
Share on Facebook
Facebook
Tweet about this on Twitter
Twitter
Share on LinkedIn
Linkedin